Bibliotheek artikel

Artikel

Over treinen, tennis en tapirs

In het decembernummer van 2007 is in het Tijdschrift voor Ergonomie een artikel over de achtergronden, ontwikkeling en toepassing van het 3T-Model verschenen. Auteurs van dit artikel zijn Gerard Dekker en Helger Siegert. Onderstaand een samenvatting.

Achtergronden en ontwikkeling
Het 3T-Model kan worden beschouwd als een aanvulling op bedrijfskundige structuurbenaderingen zoals de Moderne Sociotechniek beschreven door van Amelsfoort e.a. (1998; 1999; 2002) en ‘Structure in Fives’ van Mintzberg (1992). De Moderne Sociotechniek streeft naar het bevorderen van de kwaliteit van arbeid, organisatie en samenwerking door toewijzing van volledige taken en regelcapaciteit aan zelfsturende teams. Mintzberg beschrijft vijf organisatietypes die onderling verschillen qua soort en hoeveelheid structuur (o.a. bureaucratie en adhocratie). Deze benaderingen zijn echter gericht op de organisatorische context en trekken de grens bij het individu.

Het 3T-Model gaat daarentegen uit van de behoefte aan structuur op het niveau van het individu en de interindividuele verschillen daarin. De hoofdgedachte achter het 3T-Model is dat er een goede afstemming behoort te zijn tussen structuur en structuurbehoefte op verschillende niveaus in de organisatie.

Het 3T-Model
Het 3T-Model gaat er vanuit dat de behoefte aan structuur zowel vanuit het medewerkerniveau (bottom-up) als vanuit de strategie (top-down) kan worden gedefinieerd. Verondersteld wordt dat medewerkers en organisaties optimaal functioneren indien er een goede onderlinge afstemming is op alle structuurniveaus.
Deze hoofdgedachte is uitgewerkt tot een theoretisch model, een drietal archetypische metaforen, een vragenlijst met sleutel en een groepsprofiel. Deze vormen samen de 3T-Methodiek, een hulpmiddel om te komen tot een betere afstemming tussen organisatie (strategie, primair proces, management), functies en mensen aan de hand van structuurkenmerken.